Landje Pik
Zittend op de rand van de stenen bloembakken, met de prikstruiken achter ons, bungelden onze blote benen met witte kousen in sandalen. De grijze stoeptegels nog lekker leeg.
‘Landje Pik doen?’
Ze knikten.
In de zak van mijn broekrok plakte een zuurtje, voelde ik iets glads en gelukkig ook nog een krijtje. Ik zuchtte. Op mijn knieën kroop ik over de tegels en tekende een grote cirkel, de wereld. Met drie strepen er dwars doorheen had ik zes landen. In de precies gelijke taartpunten schreef ik de B van België, de D van Duitsland en de F van Frankrijk, de landen die ik kende. Mijn hand bleef hangen boven de vierde taartpunt. En nu?
‘Amerika en Vlieland’, riep Anjemarie.
‘Vlieland is geen land’, bromde ik.
Ze sloeg haar armen over elkaar, haar mond een onverzettelijke streep. ‘Welles. Vlie en dan land toch? Dus een land.’
Ze greep het krijtje uit mijn hand en tekende een grote V aan de bovenkant van de wereld.
---
De man, waar ik zojuist in gesprek mee ben geraakt in de coupé, kijkt langs me heen door het raam. De bomen vliegen in een groene waas voorbij. Op de buitenkant van het glas vormen druppels steeds veranderende rivieren. Langzaam buigt zijn hoofd met zwart verwarde haren naar mij toe.
‘Land?’ vraagt hij. Zijn donkere ogen dragen de zwaarte van de bewolkte hemel. ‘Ik heb geen land meer.’
‘Landje Pik doen?’
Ze knikten.
In de zak van mijn broekrok plakte een zuurtje, voelde ik iets glads en gelukkig ook nog een krijtje. Ik zuchtte. Op mijn knieën kroop ik over de tegels en tekende een grote cirkel, de wereld. Met drie strepen er dwars doorheen had ik zes landen. In de precies gelijke taartpunten schreef ik de B van België, de D van Duitsland en de F van Frankrijk, de landen die ik kende. Mijn hand bleef hangen boven de vierde taartpunt. En nu?
‘Amerika en Vlieland’, riep Anjemarie.
‘Vlieland is geen land’, bromde ik.
Ze sloeg haar armen over elkaar, haar mond een onverzettelijke streep. ‘Welles. Vlie en dan land toch? Dus een land.’
Ze greep het krijtje uit mijn hand en tekende een grote V aan de bovenkant van de wereld.
---
De man, waar ik zojuist in gesprek mee ben geraakt in de coupé, kijkt langs me heen door het raam. De bomen vliegen in een groene waas voorbij. Op de buitenkant van het glas vormen druppels steeds veranderende rivieren. Langzaam buigt zijn hoofd met zwart verwarde haren naar mij toe.
‘Land?’ vraagt hij. Zijn donkere ogen dragen de zwaarte van de bewolkte hemel. ‘Ik heb geen land meer.’